Lham. tot instelling en regeling van het examen ter verkrijging van de akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs (Pos587) AB 1989 no. GT 8

*************************

AB 1989 no. GT 8 *CENTRAAL WETTENREGISTER* 10 januari 2014

************************* ====================================================================
Intitulé : Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot instelling en regeling van het examen ter verkrijging van de akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs
Citeertitel: Geen
Vindplaats : AB 1989 no. GT 8
Wijzigingen: Geen

DOWNLOAD PDF
====================================================================

Please enter desired keyword in box bellow and press enter/backspace

Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content
Search in posts
Search in pages

Artikel 1
In Aruba wordt ingesteld een examen ter verkrijging van de akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs.
Artikel 2
In dit landsbesluit wordt verstaan onder: het examen : het in artikel 1 genoemde examen; de minister : de minister van Welzijnszaken; de inspecteur : de inspecteur van het Onderwijs; de commissie : de commissie belast met het afnemen van het examen.
Artikel 3
1. Het examen omvat de volgende vakken: a. opvoedkunde; b. psychologie; c. didactiek; d. methodiek; e. Nederlandse taal. 2. De omvang van de vereiste kennis van elk van deze vakken is aangegeven in het programma, dat als bijlage aan dit besluit is gehecht. 3. Het examen bestaat uit een schriftelijk en een mondeling onderzoek naar de kennis van elk der genoemde vakken.
Artikel 4
Tot het afleggen van het examen heeft uitsluitend toegang zij die minstens één jaar in het bezit is van een akte van bekwaamheid als bedoeld in het landsbesluit houdende algemene maatregelen, tot instelling en regeling van het examen ter verkrijging van de akte van bekwaamheid als kleuterleidster of van de akte van bekwaamheid als bedoeld in het Koninklijk Besluit van 14 oktober 1964, Stb. 1964, no. 396.
Artikel 5
1. De minister benoemt de commissie die uit ten minste zes leden zal bestaan. De commissie, waarvan de inspecteur lid tevens voorzitter is, benoemt uit haar midden een secretaris. 2. Indien gewenst, kan de minister ook plaatsvervangende leden benoemen.
************************* AB 1989 no. GT 8 *CENTRAAL WETTENREGISTER* 10 januari 2014 ************************* ====================================================================
Artikel 6
Zij die zich wensen te onderwerpen aan het examen zijn verplicht: a. zich binnen de door de minister bekend te maken termijn, schriftelijk aan te melden bij de inspecteur; b. vóór een door de inspecteur te bepalen dag een som van vijfentwintig florin in ‘s lands kas te hebben gestort, van welke storting zij een schriftelijk bewijs zullen ontvangen.
Artikel 7
1. De minister maakt telkenmale de dag waarop het examen aanvangt bekend, met dien verstande dat het schriftelijke gedeelte plaats heeft op dezelfde dagen als het staatsexamen voor kleuterleidster in Nederland. 2. De inspecteur wijst de lokalen aan, alwaar het examen zal worden afgenomen. De voorzitter van de commissie deelt de kandidaten dag, uur en plaats van het examen mede.
Artikel 8
De minister bepaalt de tijdsduur van het onderzoek naar de kennis van elk vak met dien verstande echter, dat de tijdsduur van het schriftelijke gedeelte dezelfde zal zijn als die welke geldt voor het staatsexamen voor kleuterleidster in Nederland.
Artikel 9
De schriftelijke examenopgaven zijn telkenmale dezelfde als die welke voor het staatsexamen voor kleuterleidster in Nederland zijn vastgesteld.
Artikel 10
1. Het schriftelijk werk wordt onder voortdurend toezicht van een der commissieleden gemaakt. 2. Het is de kandidaten niet toegestaan andere hulpmiddelen te gebruiken dan die welke de voorzitter in overleg met de commissie heeft voorgeschreven.
Artikel 11
De schriftelijke werken van elk vak worden, vóór de aanvang van het mondelinge gedeelte, door twee leden van de commissie nagezien en gewaardeerd. De minister stelt in overleg met de commissie de normen vast, naar dewelke de waardering zal geschieden.
Artikel 12
1. De mondelinge onderzoeken geschieden voor elk vak ten overstaan van twee leden van de commissie. 2. Na afloop van elk mondeling onderzoek kennen bedoelde leden van de commissie in onderling overleg een cijfer toe. Indien zijn niet tot overeenstemming kunnen komen beslist de voorzitter van de commissie. 3. Eenzelfde commissielid kan mede belast zijn met het onderzoek van meerdere vakken.
2
************************* AB 1989 no. GT 8 *CENTRAAL WETTENREGISTER* 10 januari 2014 ************************* ====================================================================
Artikel 13
1. Beslissingen betrekkelijk de uitslagen bij het examen worden genomen overeenkomstig de richtsnoer door de minister van Welzijnszaken vastgesteld voor de beslissing over toelating en afwijzing bij het examen voor hoofdleidster bij het kleuteronderwijs, afgenomen overeenkomstig de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 14 oktober 1964, Stb. 1964, no. 396. 2. In gevallen waarin de richtsnoer niet voorziet, beslist de commissie bij meerderheid van stemmen, zowel omtrent de waardering als omtrent de uitslag van het examen.
Artikel 14
Zij die zich bij het examen aan enig bedrog schuldig maakt, wordt terstond van verdere deelneming uitgesloten.
Artikel 15
Het oordeel over de kennis van de kandidaten wordt voor elk vak uitgedrukt in een der cijfers 1 tot en met 10, aan welke cijfers de volgende betekenis moet worden gehecht: 10 uitmuntend 5 bijna voldoende 9 zeer goed 4 onvoldoende 8 goed 3 zeer onvoldoende 7 ruim voldoende 2 slecht 6 voldoende 1 zeer slecht
Artikel 16
1. De uitslag van het examen wordt terstond na afloop aan de betrokkenen medegedeeld. 2. Behoudens het bepaalde bij artikel 14, ontvangt zij die zich aan het examen heeft onderworpen van de voorzitter van de commissie een door hem ondertekende schriftelijke mededeling van de uitslag van het onderzoek in elk vak. 3. Indien zij het verlangen daartoe onmiddellijk na afloop van het examen te kennen geeft, wordt haar ook ter zake van het door haar afgelegde examen mondeling inlichtingen verstrekt.
Artikel 17
Ten bewijze, dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt zo spoedig mogelijk een akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs verstrekt.
Artikel 18
Na afloop van het examen ontvangt de minister zo spoedig mogelijk van de commissie: a. een proces verbaal van het examen, vermeldende de regeling en het verloop ervan, alsmede al hetgeen tijdens het examen is voorgevallen en waarvan het belangrijk is dat de minister er kennis van draagt; b. een exemplaar van het examenrooster; c. een presentielijst, waarop de aanwezige commissieleden dagelijks hun handtekening hebben gesteld; d. een numerieke opgave van de uitslag van het examen;
3
************************* AB 1989 no. GT 8 *CENTRAAL WETTENREGISTER* 10 januari 2014 ************************* ====================================================================
e. een alfabetisch lexicografische lijst van de geslaagden, die hun naam, voornamen, geboortedatum en geboorteplaats bevat; f. een puntenregister; g. een numerieke opgave van de schriftelijke werkstukken, die door ieder commissielid zijn nagezien en gewaardeerd.
Artikel 19
1. Ieder lid of plaatsvervangend lid van de commissie geniet een vacatiegeld van Afl. 20,- voor iedere dag, waarop een mondeling of schriftelijk examen wordt gehouden. 2. Voor elk ingeleverd schriftelijk stuk examenwerk dat door een lid van de commissie wordt nagezien wordt een vergoeding toegekend van Afl. 1,50 met dien verstande dat een vergoeding van maximaal Afl. 3, wordt toegekend indien zulks door meerdere leden is geschied.
4
************************* AB 1989 no. GT 8 *CENTRAAL WETTENREGISTER* 10 januari 2014 ************************* ====================================================================
5
BIJLAGE
PROGRAMMA voor het examen ter verkrijging van de akte van bekwaamheid als hoofdleidster. a. Opvoedkunde en psychologie: 1. meer uitgebreide kennis van de beginselen van de kleuteropvoeding en van de voornaamste stromingen op dat gebied; 2. de kandidaat moet blijk geven enige werken voor opvoedkunde met vrucht te hebben gelezen; 3. inzicht in de psychologische verschijnselen bij kinderen, hetgeen zal worden onderzocht mede aan de hand van zelf verzameld observatiemateriaal; 4. kennis van de ontwikkeling en de rijping van de kleuter. b. Didactiek en methodiek: 1. kennis van de mogelijkheden die de kleuterschool biedt tot harmonische vorming en ontwikkeling van jonge kinderen; kennis van de inrichting van de kleuterschool; 2. inzicht in de taak van de hoofdleidster ener kleuterschool. c. Nederlandse taal en letterkunde: 1. vaardigheid in het uitdrukken van gedachten, blijkende uit het maken van een opstel en het redigeren van een brief of mededeling. Bekendheid met het werk van enige der voornaamste dichters en schrijvers uit verschillende perioden. Het onderzoek naar die kennis geschiedt mede aan de hand van een lijstje van door de kandidaten gelezen boeken, dat op het examen moet worden overgelegd; 2. natuurlijk en met beschaafde uitspraak lezen van een stuk proza of poëzie. De kandidaat moet tonen het gelezene te begrijpen en in staat te zijn haar gedachten mondeling in goede vorm te uiten, waarbij zij blijk moet geven van een behoorlijke algemene ontwikkeling; 3. voordracht van een stukje proza of poëzie, naar keuze van de kandidaat.